Gastenboek E-mail update Reislinks

Sarawak, het verborgen Paradijs


Belevenissen vooraf
Voorgaande reizen
Algemene zaken
Europa
Rusland
China
Vietnam
Cambodja
Thailand
Maleisië en Singapore
Indonesie
Laos
Turkije
Griekenland
Italie
Afrika
Weer thuis

Datum: 20 juni - 6 juli 2002

Lees op onze Engelstalige website meer over Niah Caves, Belaga, Kuching, Semengoh, and Bako National Park.

De grotten van Niah

Van Brunei gaat de reis door Sarawak om aan de andere kant van Borneo weer de oversteek te maken naar het Indonesische gedeelte van Borneo. Sarawak blijkt echter het best geschikt om de cultuur van Borneo op te snuiven: vele verschillende bevolkingsgroepen, waarvan velen nog in traditionele longhouses leven in de binnenlanden. En dat omgeven door de schitterende natuur, toegankelijk gemaakt via de verschillende nationale parken.

De witte Rajah

De vreemde geschiedeis van Sarawak begon toen James Brooke in 1839 voet aan wal zette in de stad die nu Kuching heet. Er was net een rebellie bezig tegen de heersers van Brunei. Brooke hielp die rebellie neer te slaan en als dank werd hij de eerste witte Rajah van Sarawak. Via diverse verdragen in de jaren die volgden wisten James Brooke en zijn opvolgers het gebied steeds verder uit te breiden tot wat het nu is. Na de tweede wereldoorlog werd het een Engelse kolonie en in 1960 werd Sarawak onderdeel van de Maleise federatie. De staat heeft echter wel een zekere autonomie behouden, wat blijkt uit het aparte visa dat je bij de grens voor Sarawak krijgt. Maar ook in het beleid zijn er grote verschilen met de rest van Maleisië.

De eerste stad die we tegenkomen na de grens is Miri. Hier proberen we direct een bus te nemen naar Niah caves, maar die blijkt pas een paar uur later te gaan. Dan maar een nachtje in Miri blijven. Het blijkt weer gewoon een Aziatische stad te zijn, waar de chinezen zo'n beetje alle winkels runnen, en ook ons hotel. De stad is echter ook de olieplaats van Sarawak, en er wonen als gevolg daarvan ook redelijk veel buitenlanders. 's Avonds eten we dan ook in een westers eettentje. Hoewel, er wordt geen varkensvlees en alcohol geserveerd, dus toch moslim.

Niah caves

Voor toeristen is Miri de hub om door te reizen naar Mulu National Park of Bario. Beiden bevinden zich in de binnenlanden van Sarawak en zijn niet of nauwelijks overland te bereiken. Vliegverbindingen zijn hier erg goedkoop, maar helaas, daar doen wij dus niet aan. We reizen dus de volgende dag per bus door langs de kust naar Niah Batu. Hier huren we een boot die ons na een kwartiertje varen keurig afzet bij het hoofdkwartier van Niah Caves National Park.

Het hoofdkwartier ziet er keurig uit en voor weinig betrekken we een kamer in één van de hostels. Er zijn 4 bedden per kamer, maar de andere 2 blijven onbezet. Het park lijkt wel uitgestorven, maar dat vinden we niet erg. Totdat men ons meldt dat we maar één nacht kunnen blijven, alle hostels zijn voor het weekend afgehuurd door een school. Voor de volgende dag moeten we een chalet delen met een ander stel. Uiteindelijk zijn we daarbij duurder uit en krijgen minder.

Op zoek naar wat te eten blijkt het restaurant gesloten. Maar gelukkig is er een eet cafeetje vlak buiten het park waar we een portie nasi en bami kunnen eten. Dit was niet onze beste maaltijd, maar er zit wat in de maag.

De grotten van Niah bevinden zich 3 kilometer in de jungle aan de andere kant van de rivier. Een lange steiger door de jungle leidt de toeristen erheen. Aan het eind van de middag nemen we alvast een kijkje in de jungle. We zien niet veel, vlinders en eekhoorns vooral, maar het blijft ons fascineren die jungle met zijn geluiden. Onderweg komen we ook nog een local tegen, die op weg is zijn netten op te halen. Hij vraagt ons nog of we niet bij zijn longhouse-homestay willen verblijven, maar we gaan daar niet op in.

Vogelnestsoep

De volgende dag gaan we helemaal door naar de grotten. Als we er uiteindelijk aankomen zijn we aardig onder de indruk. Een enorm grottencomplex gaapt ons aan en eenmaal binnen wordt het al snel donker. Met onze lantaarn zien we de vleermuizen aan het plafond hangen en ook de vogelnestjes met nog enkele vogels erin. Ook zien we de enorme stellages die de mensen gebruiken om de vogelnestjes te oogsten. Dit zijn namelijk de nestjes die gebruikt worden voor de chinese vogelnestjessoep. Een delicatesse waar grof voor betaald wordt. Ook wordt hier guano, de stront van de vleermuizen en vogels geoogst. Dit wordt echter simpelweg verkocht als kunstmest. Eigenlijk geen kunst.

Aan de andere kant van de grotten komen we weer uit in een stukje jungle, dat ons leidt naar de grotten waar rotstekeningen gevonden zijn. Van die tekeningen zien we weinig, ze zijn erg vaag en we worden met een groot hek op afstand gehouden. Terug maar weer naar de grote grot en terug door de jungle naar het hoofdkwarier. Dit keer zien we nog een rood kolibrietje, een slang en een vliegende hagedis in de jungle.

Aan het begin van het park staat een museum over de grotten. Hier staat beschreven wat men in de grotten allemaal aan opgravingen heeft gedaan. Dankzij de opgravingen weet men dat al 40.000 jaar menselijk leven voorkomt op Borneo, iets wat voorheen onmogelijk werd geacht. Er is ook uitgebreide informatie over de verschillende bevolkingsgroepen in het gebied en de mensen die door de jaren heen zijn begonnen met de oogst van guano en vogelsnesten. Zo worden we wéér wat wijzer.

Culinair klote

Niah Caves National Park is een heerlijke plek om te genieten van de jungle en de grotten. We hebben er ook rustig naar wat WK wedstrijden zitten kijken onder het genot van een biertje. We zouden er ook best nog wel een paar extra nachtjes willen blijven. Maar de tweede avond komen we erachter dat de slechte maaltijd van een dag eerder geen toeval was. Culinair gezien is het park klote en dat noopt ons om maar weer door te gaan.

Volgende stop is Bintulu. Met de bus zitten we er zo en de rest van de dag gebruiken we om eens te verkennen. Bintulu is gewoon weer een Aziatische stad. Het enige noemenswaardige is het vliegveld, dat midden in de stad ligt, iets wat de stad een plekje in het Guiness Book of Records oplevert. Voor ons is het de plaats waarvandaan we een boot de binnenlanden in kunnen nemen. De enige echte weg in Sarawak loopt langs de kust, in de binnenlanden zijn er slechts rivieren en zandwegen die gebruikt worden voor de houtkap. We zien dat de boten de volgende dag om het uur gaan en besluiten de eerste ervan te nemen.

Naar de binnenlanden

Fris uit de veren staan we dus vroeg aan de kade om te vernemen dat er helemaal geen boot gaat. De informatie op de borden is niet bepaald up to date en niemand die ons dat een dag eerder aan ons kon vertellen. Er blijken wel mensen te zijn die per jeep op weg gaan, en die willen ons wel meenemen. Niet goedkoop natuurlijk, maar we hebben weinig keuze. Gelukkig zijn we met zijn vieren, dat drukt de kosten nog een beetje.

Het eerste gedeelte naar Tuwau blijken de wegen keurig geasfalteerd te zijn. Er rijdt verder bijna niemand, maar we vragen ons af waarom Tuwau nou zo'n geïsoleerde stad is. Dan rijden we opeens de zandwegen op, en niet veel later komen we aan op een groot houtkapcentrum. Een grote open plek langs de rivier met overal boomstammen, bulldozers en graafmachines. Best wel deprimerend allemaal. Tuwau is dus toch niet over de weg te bereiken, de laatste 200 meter kunnen we nog per boot ernaartoe, maar omdat Tuwau ons doel niet is (het zou het eindpunt van de boot uit Bintulu zijn) gaan we maar meteen door per jeep naar Belaga.

Het vervolg is alleen maar zandweg, en wat voor!! Het gaat erg steil bergop en -af. Af en toe komen we een vrachtwagen met boomstammen tegen, die stapvoets bergop klimt. Het valt nog wel mee hoe de jungle door de houtkap is aangetast. Het lijkt erop dat men kleine stukjes kapt en vervolgens de jungle weer de tijd geeft om te herstellen. Het wordt hier in ieder geval niet direct volgestampt met palmolieplantages.

Rustiek Belaga

Plotseling rijden we de buitenwijken van Belaga in. Het is compleet anders dan we verwacht hadden, we zien een soort nieuwbouwwijken, goede wegen en alles is redelijk netjes. We stoppen uiteindelijk aan de rivier, waar een parkje is inclusief speeltuin, tennis- en basketbalvelden. Heel vreemd allemaal, maar het ademt een rustige, relaxte sfeer uit die ons wel aanspreekt.

Belaga van de oever af gezien Als we gelunched hebben en onze intrek in een hotelletje hebben genomen, verkennen we het stadje. Het centrum bestaat uit drie straten met chinese winkels, zoals bijna overal runnen chinezen ook hier de handel. Verder strekt het stadje zich uit langs de rivier, waar vele mooie oude huizen staan. Uiteindelijk komen we op het terrein van de school terecht. Vele kinderen zijn hier per klasje bezig in de schooltuintjes, aan het voetballen of men hangt wat rond. Regelmatig moeten we hier weer wat gesprekjes voeren zodat ze hun Engels kunnen oefenen. Altijd weer grappig met veel gegiechel.

Het gerucht dat er weer een paar toeristen zijn gearriveerd gaat snel door het stadje en we worden dan ook een paar keer aangesproken door mensen die tours aanbieden. Men komt over het algemeen naar de binnenlanden om een bezoek te brengen aan een longhous. Dit zijn de dorpen langs de rivier waar de lokale mensen van verschillende stammen wonen. Wij zijn hier natuurlijk ook wel in geïnteresseerd, maar men vraagt nogal hoge prijzen. De alternatieve methode is om van iemand uit een longhouse een uitnodiging te krijgen, en dan kost een bezoekje slechts wat gifts en het vervoer per boot. We gaan dus nog maar nergens op in en kijken wel wat er gebeurt. Wandelend langs de rivier biedt men al wel het vervoer aan, dus het schiet al op.

E-business en tours

's Avonds bij een eetstalletje en later in het park worden we aangesproken door een doofstom chinees meisje. Eerst heeft ze het vooral over de voetbalwedstrijden, maar dan probeert ze ons mee te krijgen. Als we dan maar meegaan brengt ze ons naar Daniel. Daniel is een veelzijdig persoon die iets doet in de e-business. Daarnaast heeft hij een soort kroegje waar de locals graag een biertje komen halen. Voor toeristen, tenslotte, organiseert hij tochtjes naar longhouses, en daarvoor brengt het chinese meisje ons naar hem.

Bij Daniel drinken we een pilsje en babbelen we wat. Hij blijkt zelf van de Kenyan stam te zijn, één van de vele verschillende stammen in de binnenlanden. Hij benoemd ook iedereen die langs loopt, die is Iban, die is Kayak, en dat daar, dat is een echte headhunter, koppensneller dus. Hij nodigt ons uit om de volgende dag met hem te ontbijten en dan zal hij eens kijken wat hij voor ons kan regelen.

Lange huizen

Vanaf het ontbijt gaat het weer door zoals we gisteren gestopt waren. Daniel praat aan één stuk door en we ontmoeten heel wat locals. Het is echter een beetje moeilijk om er achter te komen wat hij voor ons gaat regelen. We laten het maar op ons afkomen en uteindelijk stappen we toch om een uur of 11 in een boot om ons naar een longhouse te brengen. We hebben twee gidsen bij ons, wat vooral nodig is om de boot door het soms ondiepe water heen te loodsen. Onderweg zien we al een aantal longhouses, eigenlijk gewoon houten rijtjeshuizen op palen. Uiteindelijk, na anderhalf uur varen stoppen we bij een longhouse en gaan we aan wal.

Ietwat onwennig wachten we af wat komen gaat. Onze gidsen brengen ons eerst langs de school. Het schooltje is, zoals andere scholen die we in Azië gezien hebben, van hout met verschillende localen, kinderen in uniforms en ouderwets lesmateriaal. We kijken er vooral van op dat dit ook bij het longhouse hoort, blijkbaar is het een behoorlijk dorp.

Dan worden we via een bruggetje naar het eigenlijke longhouse geleid. Via een trap komen we op de lange veranda terecht, die over de gehele lengte van het lange rijtjeshuis loopt. De aanwezigen zijn vooral ouderen, vrouwen en jonge kinderen. Men staart ons aan en wij lopen ietwat verlegen langs. We verwachten eigenlijk van onze gids dat hij ons voor gaat stellen ofzo, maar die doet verder niets. Zo wordt het een wat ongemakkelijk samenzijn, waarbij we ook niet weten of we foto's kunnen maken, iets moeten aanbieden en of we zelfs wel gewensd zijn. We beperken ons dus maar tot heen en weer lopen, sigaretten en snoep uitdelend en handen schuddend. We vergeten zelfs foto's te maken van de volgetatoeëerde oudere mensen met lange oorlellen. Voor we het weten zijn we alweer weg.

Onze gidsen beloven ons naar een tweede longhouse te brengen, en wij nemen ons voor dan wel foto's te nemen. Maar als we weer bij een longhouse aanleggen blijkt dat we niet welkom zijn. Later horen we dat er waarschijnlijk een sterfgeval geweest is, in welk geval men gedurende de rouwperiode niemand ontvangt. Ietwat teleurgesteld komen we dus weer aan in Belaga.

Daniel heeft wat te eten voor ons bereid en belooft ons die middag zelf mee te nemen naar een ander longhouse. Dit longhouse blijkt per auto te bereiken en het is dan ook in alle aspecten een moderner gebeuren. Daniel is wel een echte gids en leidt ons naar de kamers, stelt ons voor, we mogen de zelfgerolde sigaretten en de beetlenut proberen (doen we niet, veel te smerig) en hij zorgt er zelfs voor dat men kokosnoten voor ons plukt. Wij zijn echter vooral bezig om te voetballen met de kinderen. En zo is dit weer een totaal andere longhouse ervaring dan de eerste. Maar wel één waar we ons veel minder ongemakkelijk voelen.

Speedboot

De volgende morgen gaat er een boot naar Kapit. Vanwege laag water gaan deze niet meer iedere dag en we besluiten er maar met mee te gaan, niet wetend wanneer anders de volgende weer gaat. Samen met wat locals laden we in en de boot scheurt er vandoor. Met deze snelheid valt er weinig te zien van de omringende jungle, maar het schiet lekker op en is best comfortabel. Halverwege zijn er een paar spectaculaire stroomversnellingen die duidelijk maken waarom de normale, grote boten niet meer varen.

Kapit is, hoewel nog in de binnenlanden, een veel grotere en minder relaxte stad dan Belaga. We stappen hier meteen maar weer op de volgende boot, die een uurtje later vertrekt naar Sibu, wat weer op de kustweg ligt. Deze boot is wel de normale boot, de rivier is inmiddels behoorlijk breed geworden en hier heeft men dus geen last van laag water. Een paar uurtjes later komen we aan in Sibu. Hier besluiten we om de volgende dag de boot naar Kuching te pakken. Een nachtbus is ook mogelijk, maar reizen per boot bevalt ons veel beter.

Sibu heeft weinig accommodatie. We checken in in een guesthouse van de kerk, wat wel zo rustig is. Verder is Sibu weer een gewone Maleise stad, niets bijzonders dus, of het moet de chinese tempel met pagoda zijn, maar die dingen hebben onze interesse al lang geleden verloren.

Verliefd, man!

Mooi uitzicht over de Kuching rivier De boottrip naar Kuching brengt ons nog even de zee op, voordat we de Sarawak rivier weer opvaren en door de sluizen naar Kuching varen. Van de boot af worden we direct een minibusje ingeleid en voor 2 ringit (halve euro) zitten we zo in hartje Kuching. Het enige backpackershostel van Kuching zit echter vol, en dus gaan we even op zoek naar wat anders. Budgethotels noemt men hier alles onder de 50 ringit (15 euro, erg duur voor ZO Azië), dus we schikken ons maar in ons lot. Als we eindelijk gesettled zijn gaan we de stad verkennen. En dan worden we verliefd op Kuching.

Kuching heeft de mooiste boulevard die we ooit gezien hebben. Een heerlijk park waar je rustig langs het water wandelt, met bankjes en kraampjes voor een natje en een droogje. Aan de andere kant van de rivier staat het fort 's avonds mooi in de schijnwerpers, evenals het paleis van de sultan. En aan de andere kant van de weg de bazaar, een winkelstraat vol met souvenirwinkeltjes met antiek en houtsnijwerk. Hier kunnen we best een tijdje lekker toeven.

De eerste volle dag Kuching doen we het rustig aan. Wel gaan we even naar het Kuching museum. Dit bestaat uit twee gedeeltes, de benedenverdieping staat vol met opgezette dieren van Borneo, en de bovenverdieping met allerlei artefacten van de verschillende stammen van Sarawak. Ook schaalmodellen van de verschillende typen longhouses en veel informatie over de houten maskers, beelden en totempalen die de stammen van oudsher maakten en waar de souvenirshops nu ook vol mee staan. Het, overigens gratis, museum, heeft ook nog een tweede gebouw dat nu helaas in onderhoud is.

Oerang Oetangs

De volgende morgen stappen we vroeg op de bus, die ons naar Semengoh brengt, het Orang Oetang rehabilitatiecentrum van Sarawak. Dit centrum verschilt in bijna alle opzichten van Sepilok, het centrum in Sabah. Hier is het toerisme slechts bijzaak, toegang kost slechts 3 Ringit voor een vergunning en er zijn verder ook totaal geen faciliteiten voor toeristen. De informatieborden zijn onduidelijk, er blijkt niets toegankelijk en we vragen ons af waar we naar toe moeten.

Uiteindelijk vinden we uit dat we net voor het eigenlijke centrum een (afgesloten) pad de jungle inmoeten. We besluiten alvast te gaan, misschien spotten we al wat apen. We vinden het voederplatform en wachten op een bankje af wat er komen gaat. Maar helaas, er gebeurt niets en het is inmiddels bijna kwart over 9, terwijl om 9 uur het voederen zou beginnen. We vragen ons af of we wel goed zitten en dan komt er ineens een grote groep toeristen aan, met parkranger. En vrijwel direct verschijnen er hoog in de bomen 3 Oerang Oetangs. Toch weer een mooi schouwspel hoe ze aan komen slingeren, het blijken een groot mannetje, een vrouwtje en een jong.

Het voeren gaat ongeveer hetzelfde als in Sepilok. De dieren krijgen melk dat ze uit de emmer drinken en wat trossen bananen. Als ze uitgegeten zijn komen ze van het platform af en onze richting op. Tot grote hilariteit moeten ze precies door het publiek heen en dan zien we ook pas hoe groot het mannetje wel niet is. Iedereen maakt plaats en de dieren klimmen via het bankje waar net nog wat mensen opzaten omhoog de bomen in. Op 3 meter hoogte moet het mannetje nog even afwateren en hij laat ook nog wat keuteltjes vallen. Dan klimmen ze door om hoog in de bomen nog wat na te keuvelen. We blijven nog even kijken maar ze zitten zo hoog dat ze nauwelijks meer zichtbaar zij en dus keren we voldaan maar weer terug.

In het centrum zijn we benieuwd of we nog wat dieren in de kooien kunnen bekijken. De meeste kooien zijn echter niet toegankelijk. Alleen die van de krokodillen kunnen we van dichtbij bezichtigen. Maar even verderop heeft men ook nog een paar kooien met gibbons opengezet. Deze dieren mogen zelf weten of ze buiten gaan spelen of niet. Eentje ziet dat wel zitten en slingert er hevig op los tussen de bomen rondom ons. Op een gegeven moment krijgt hij gezelschap van een makaak uit het bos en ze zitten elkaar flink achterna. Een erg gaaf gezicht waar we een tijdje van genieten, tot het tijd is om naar de bus te gaan.

De busrit terug verloopt niet zo soepel. De bus komt niet opdagen en we vragen ons af of we degene moesten hebben die ogenschijnlijk de verkeerde kant opging. We besluiten maar naar een bushalte een kilometer verderop te lopen, waar wat meer bussen komen. We zijn samen met een deens stel en bij de andere bushalte staan nog wat locals te wachten. De eerste twee bussen die langskomen stoppen echter niet, ondanks hevige armgebaren van ons. We vrezen al dat we hier de rest van de dag zullen staan maar dan, eindelijk, stopt er eentje. Het bussysteem van het anders zo keurig geregelde Maleisië krijgt even een minpuntje, je raakt verwend als je al weer drie weken uit Indonesië bent.

Naar het fort

's Middags besluiten we naar fort Margarita, aan de andere kant van de Sarawak rivier te gaan. We stappen op één van de mooie sampan bootjes, bestuurd door een soort gondelier met twee gekruiste roeispanen. Maar als we 5 meter onderweg zijn trekt hij plots aan een touwtje en springt de motor aan. Het hele effect is even weg, maar vooruit, het is een fluistermotor, dus dat maakt weer wat goed.

Aan de overkant wandelen we een stukje door het dorp wat Kuching aan deze kant van de rivier is. Dan klimmen we de heuvel op om bij het fort te komen. In het fort is een militair museum gevestigd, en we zijn vooral benieuwd naar de voormalige gevangenis met folterwerktuigen. Maar helaas, het museum blijkt gesloten op zaterdag (rare jongens!) en we moeten het doen met de buitenkant van het fort en de militaire voertuigen die er buiten zijn opgesteld.

Ietwat teleurgesteld druipen we weer af en keren weer terug. Hierbij komen we wederom over het oefenterrein van de politie, waar men met de opbouw van een soort feestterrein bezig is. Dit keer vragen we wat er aan de hand is. Men vertelt ons dat die avond het einde van de oogstfeesten gevierd wordt, waarbij ook de minister van landbouw komt opdraven. Er worden meer dan 1000 mensen verwacht, en men nodigt ons uit om ook een kijkje te komen nemen.

Feest!!

Die avond eten we weer wat aan de boulevard en we besluiten de stoute schoenen maar eens aan te trekken om een kijkje te nemen bij het feest. Eenmaal overgevaren betreden we het terrein en lopen we naar de longhouses die men die middag aan het opbouwen waren. Het is redelijk druk, en de mensen verzamelen zich rondom het podium dat in het midden staat. Om daar ook te komen moeten we de rode loper kruisen, die naar de ingang van de longhouses loopt. Als we dat willen doen, worden we overgehaald om ook naar binnen te komen. Ietwat onwennig volgen we en dan ontstaat er wat commotie omdat men net bezig is om een foto te maken van een groep in traditionele kledij. We maken wat ruimte omdat we denken dat we in de weg lopen, maar nee, ze willen ons er juist bij op de foto. We blijken ineens bij de belangrijke gasten te horen.

Poserend met Maleise Bobo's in klederdracht Terwijl men op het podium bezig is met wat officiële toestanden, wordt ons gevraagd om op de vloer plaats te nemen. Door verschillende groepen dames in traditionele kleding worden er schotels met eten op de grond neergezet en even later gaat iedereen aan de maaltijd. Wij hebben echter al gegeten en bovendien is het vooral vis wat de pot schaft, dus we doen ons best om zoveel mogelijk af te slaan zonder onbeleefd te zijn. Wat we niet kunnen weigeren spoelen we weg met de wel lekkere limonde en rijstwijn.

Het programma vervolgt met een aantal toespraken, ondermeer van een man die even daarvoor nog een praatje met ons maakte. Tot onze verbazing doet hij ook nog een stukje in het Engels, omdat "er buitenlandse gasten zijn". Zijn wij dat? We zien in ieder geval geen andere westerlingen. Dan wordt de minister aan het werk gezet. In een ceremoniele dans moet hij de kadoos die in een soort kerstboom hangen met een flink zwaard naar beneden halen. Als hij klaar is, is het officiele gedeelte over.

Omdat er nu een wat lullig bandje begint te spelen vinden we het wel welletjes. We proberen ons uit de voeten te maken maar worden telkens aangeschoten door allerlei mensen die een praatje willen maken en ons drankjes aanbieden. Als we dan eindelijk buiten zijn, blijken er toch ook nog traditionele dansen gedaan te worden. Terug naar binnen dus en nog meer gesprekken en drankjes terwijl naar de mooi opgevoerde dansen kijken. Uiteindelijk gaan we tegen middernacht weg, maar niet nadat het halve politiekorps nog met ons op de foto is geweest. En om ons over te varen moet de bootsman speciaal worden wakker gemaakt. Hier is de politie dus echt onze grote vriend.

De neusapen van Bako

Na een dagje rustig aan doen gaan we op maandag met de bus naar Bako National Park. Na een vlotte rit, gevolgd door een speedboottochtje arriveren we bij het hoofdkwartier. We moeten een aardig stukje wandelen om bij de juiste hutten te komen, maar dan is het ook meteen prijs. Er hangt een vliegende lemuur (soort eekhoorn onder staart met vliezen tussen voor- en achterpoten) aan een boom te slapen. Even later zit er ook nog een silver leaf monkey in de bomen en er lopen continu eekhoorns, makaken en wilde varkens rond. Erg geinig dus, al wordt Patrick bijna aangevallen door 2 makaken als hij te dicht bij een jong komt. Ook jat er eentje een blikje Sprite van een toersist op het terras, echte hufterapen dus.

Na onze intrek genomen te hebben in een hostel en een maaltijd in de kantine besluiten we maar meteen een trail te gaan lopen. Er zijn er een flink aantal uitgezet, die echter allemaal aansluiten op een rondje dat vanuit het hoofdkwartier langs alle typen bos loopt. Dat rondje doen we dus vandaag. Het begint met een steiger door de mangrove. Dan gaat het omhoog door de rotsvegetatie. Al snel horen we het kraken van de takken, de typische herrie die neusapen maken als ze van boom tot boom springen. Eerst zien we niks, maar later, als we op een uitkijkpunt zitten, zien we hem verschijnen, een flink mannetje met grote neus. We bespieden een tijdje hoe hij blaadjes zit te eten, voordat we weer verder gaan.

Het pad gaat verder omhoog en komt dan uit op een min of meer vlak terrein. De begroeiïng is hier erg droog en het is ook aardig heet hier. We wandelen flink door, veel wild verwachten we hier niet, en komen later weer in wat meer beschut gebied. Daar is het dan wel meteen weer klimmen en dalen geblazen. Maar dan naderen we ook weer het water, en dat betekent favoriet terrein voor de neusapen. Rustig lopen dus en bij flink gekraak turen naar de boomtoppen. Blijft leuk om zo het wild te spotten, zeker als je succes hebt. Vlakbij het kamp zien we ook nog een paar zwijnen heel dichtbij, en het is de vraag wie meer schrikt, Sabine of het zwijn.

De nacht in het park is weer een onrustige. Uiteraard weer junglegeluiden en muggen, maar bovendien is er van 12 tot 6 in de morgen geen electriciteit, en dus geen fan waardoor het bloedheet is in de hut.

Uitzicht over zee in Bako National Park De tweede dag volgen we een pad richting een mooi zwemstrandje. We komen weer door het dorre gedeeltje, en slaan dan af naar een stuk waar pitcherplanten groeien. Dit zijn vleesetende planten, al blijken ze geen trek te hebben in onze vingers. Dan komen we uit op een prachtige rots met mooi uitzicht over zee. Vandaar klimmen we naar beneden richting strand. Maar plots houden we stil voor een enorme zwarte schorpioen, die kruipt waar we net naartoe wilden dalen. Prachtig beest, maar levensgevaarlijk. Het strandje blijkt prachtig en we zwemmen en zonnen er heerlijk, totdat we erachter komen dat er zandvliegen zitten. Wegwezen maar weer dus.

Bij terugkomst maar weer rustig genoten van het wild dat zich dicht bij de mensen ophoudt. En tegen de avond weer even de jungle in, om de neusapen te spotten. Hierbij zien we ook een hele groep silver leaf monkeys die druk in de weer zijn. Dan passeren een paar mensen met een brancard, die later weer leeg terugkomt. Er blijkt een toerist in de mangrove in het drijfzand terecht gekomen te zijn. Zijn zoon was hulp gaan halen, maar dankzij een stok kon hij zichzelf bevrijden.

Terug in Kuching kunnen we nu aanvankelijk wel terecht in B&B Inn, het backpackershostel. Het blijkt echter een zwak aftreksel van "normale" hostels, en niet eens echt goedkoop, dus we vinden het niet eens erg dat het maar voor 3 nachten is. Wel ontmoeten we nog een paar andere reizigers, wat natuurlijk altijd leuk is. Verder doen we de eerste dag niet veel.

Cultureel dorp

Muziej en dans in het culturele dorp Donderdag gaan we naar het cultural village. Openbaar vervoer daarheen is lastig en dus maken we gebruik van de shuttle-service van Holiday Inn. Men behandelt ons hier erg vriendelijk en het lijkt er even op dat we de enige zijn in het minibusje. Maar dan blijkt hij nog een rondje te maken langs de echte sjieke hotels, het Hilton en Continental. En zo zitten we ineens tussen de sjieke toeristen.

Het cultural village blijkt heel leuk. Er zijn hier longhouses nagebouwd van de belangrijkste stammen in Sarawak: de Iban, de Bedayun en de Orang Ulu ("riviermensen", een verzamelnaam voor vele verschillende stammen). Ook een nederzetting van de nomadische Penang en traditionele huizen van de andere bevolkinngsgroepen: de Malay, de Me.. (zee Dayak) en de chinezen. In ieder longhouse krijgen we een welkomsdans voorgeschoteld en zien we de mensen in traditionele kleding aan het werk. Het lijkt allemaal wel een beetje op het Archeon in Alphen.

Tegen de middag is er op een groot podium een show van allerlei verschillende dansen. Er zijn maar weinig mensen in het park en het lijkt wel dat er meer dansers zijn dan publiek. toch is het een mooie voorstelling. Hoogtepunt is de vrijwilligster uit het publiek (uit ons busje) die met een blaaspijp op een ballon mag schieten. Iedereen zoekt dekking bij de drie pogingen die ze doet, waarbij de pijltjes alle kanten opvliegen, behalve die van de ballon. Uiteindelijk mag ze hem met de hand kapot prikken.

Katmuseum

Kuching betekent "kat" in het maleis. En dus wandelen we even langs alle kattestandbeelden in de stad. En op vrijdag bezoeken we het enige kattenmuseum in de wereld. Erg veel plaatjes, beeldjes, fotoos en verhalen over katten. Maar het valt toch een beetje tegen, en een antwoord op de vraag waarom Kuching zo heet krijgen we er niet.

Onze laatste dag in Sarawak gaat op aan het aanschaffen van een souvenir. Er zijn hier veel winkeltjes met mooie houtsnijwerken. Sommigen antiek, gemaakt door de verschillende stammen voor allerlei rituele toepassingen, anderen nagemaakt. Probleem is dat de meeste beelden erg duur zijn. Maar we hebben sinds Vietnam niet meer zulke mooie dingen gezien en zwichten er toch voor om een paar beelden te kopen en op te sturen. En nu maar hopen dat ze aankomen.

Blaaspijp maken bij de Penang bosmensen in het culturele dorp Het eten in Kuching is erg divers. We hebben weer vaak ontbeten met het Indiase Roti Chanai, luchtig deeg met curry. Verder vele chinese zaakjes, waarvan we alleen een sjieke chinees geprobeerd hebben. Hier waanden we ons weer in China, met veel smakkende mensen die van grote schalen in het midden van de tafel eten. En ze eten alles, onze konijn was vooral bot en zwoerd, maar wel met een lekker sausje. En verder zijn er genoeg westerse tentjes, die alleen wat prijzig zijn en van wisselende kwaliteit.

Sarawak heeft ons op alle fronten positief verrast. Het is georganiseerd, zoals we van Maleisië gewend waren. Maar de rijke cultuur van alle inheemse stammen is zeer toegankelijk, voor de gemakstoerist rond Kuching, en voor de avontuurlijkere in de binnenlanden. Verder zijn de nationale parken erg divers, van de grotten in Niah tot de verschillende ecosystemen van Bako. Het is te hopen dat men hier zorgvuldig met de jungle blijft omgaan.

Ga terug naar: Boring Brunei

Ga door naar: Zonder vleugels van Borneo naar Toba

Ga naar het overzicht van Maleisië en Singapore

Wereldreis zonder vleugels