Gastenboek E-mail update Reislinks

Sabah: Jungle en/of plantages


Belevenissen vooraf
Voorgaande reizen
Algemene zaken
Europa
Rusland
China
Vietnam
Cambodja
Thailand
Maleisië en Singapore
Indonesie
Laos
Turkije
Griekenland
Italie
Afrika
Weer thuis

Datum: 6-17 Juni 2002

Lees op onze Engelstalige website meer over Sepilok Orangutan rehabilitation center, Uncle Tan's jungle camp, en Kota Kinabalu.

Hagedis in de jungle van Sabah

Vanuit Sulawesi maken we de oversteek naar Nunukan op Borneo. Van daaruit nemen we de boot naar Tawau op Sabah, maleis Borneo, omdat onze indonesische visa bijna verlopen zijn. Sabah staat bekend om haar mooie jungles, voor zover deze nog niet vervangen zijn door plantages, met ondermeer het oerang oetang rehabilitatiecentrum Sepilok.

Visa-verlengroute Tawau

De truc met de Pelni boten kennen we zo onderhand. Eerst een Kelas Ekonomi kaartje kopen om die vervolgens op de boot om te zetten in een andere kelas. Hoewel men eigenlijk geen jongens en meisjes in dezelfde hut dult lukt het ons toch om zo een hut te regelen met een Argentijns stel en de Zwitserse Fabien.

Na een vlekkeloze boottocht (we zien nog een glimp van een paar dolfijnen) arriveren we in Nunukan op Kalimantan, Indonesisch Borneo. Hier moeten we een ferry zien te vinden naar Tawau. Het is een enorme drukte op de kade en we wurmen ons door de mensenmassa, waarbij Sabine herhaaldelijk betast en gezoend wordt, naar de grote hal. Hier blijkt dat er die middag nog een boot naar Tawau gaat. We strijken dus neer op de stoeltjes en handelen de formaliteiten af. Het is sinds een paar jaar mogelijk om via deze route het land uit te komen, maar de douane doet nog wel eens lastig. Zo ook bij ons en we vrezen dat er wat smeergeld moet verschijnen voor we een stempel krijgen. Maar na wat heen en weer lopen worden we toch geholpen en verschijnt het felbegeerde stempeltje in ons paspoort.

Het ritje naar Tawau gaat ook erg vlot en zo bevinden we ons in de middag in dit havenstadje. Het vinden van een hotel blijkt wat lastiger, het is goedkoop en smerig of schoon en duur, en dat terwijl de prijzen hier sowieso veel hoger liggen dan in Indonesië. We kiezen uiteindelijk toch maar voor schoon en genieten van een goede (warme!) douche en een WK wedstrijd op de TV.

Hoewel het een kleurloze havenstad heet te zijn valt Tawau ons alles mee. Het heeft vele verschillende restaurants en plezierige, redelijk schone straten. Toch blijven we hier niet lang en na het eten in een Indiase tent nemen we afscheid van de Argentijnen en Fabien, die alleen hier kwamen om hun Indonesische visum te vernieuwen. Wij nemen de volgende ochtend de bus richting jungle.

Palmolie

De busritten in Maleisië zijn een verademing in vergelijking met die in Indonesië. Je betaalt wat meer maar dan krijg je airco, beenruimte en, vooral, goede wegen. Het uitzicht is echter minder plezierig, we zien alleen maar palmolieplantages. Over de honderden kilometers lange weg niets dan dezelfde bomen, keurig in rijtjes. Het is heel deprimerend om te bedenken dat dit ooit allemaal jungle was.

Om bij het junglekamp van Uncle Tan te komen moeten we worden afgezet bij zijn kantoor vlakbij Sepilok. Maar helaas, als we de chauffeur hierop attent maken blijken we dit net gepasseerd te hebben. In plaats daarvan worden we afgezet op de kruising van de weg naar Sepilok, het Oerang Oetang rehabilitatie centrum. Hier staat een man die ons graag naar een resort met goedkope kamers wil brengen, en dat doen we dan maar.

Oerang Oetang centrum

Oerang Oetang mannetje bij Sepilok Het resort is in één woord prachtig. Schitterende tuinen met enorme vijvers waarover keurige loopsteigers gebouwd zijn. En dat op loopafstand van het rehabilitatiecentrum, waar we meteen die middag maar even een kijkje gaan nemen. Het informatiecentrum is gratis toegankelijk en daar leren we alles over het centrum. Als we er bijna doorheen zijn worden we geroepen voor een video. Daarin maken we ondermeer kennis met 3 jonge Oerang Oetangs, waarvan er twee telkens bij elkaar kruipen en de derde er niet bij dulden. We zien hoe ze geleerd wordt om te eten, te slingeren in de bomen en alleen te zijn in de jungle. Uiteindelijk dienen ze daar weer in terug te keren.

Als we het centrum uitlopen zien we plots een grote Oerang Oetang in de bosjes zitten. Ze (de parkwachter zegt dat ze Jessica heet) zit rustig blaadjes te eten en trekt zich niets van ons aan. Het is dus een semi-wilde aap, opgegroeid in het centrum maar inmiddels vrijgelaten in de jungle. Eén van de nadelen is dat ze dus totaal niet bang is voor mensen, en dat blijkt.

De volgende morgen gaan we dan echt het park in. Om 10.00 uur wordt er voedsel uitgedeeld op een platform in de jungle. Dit is aanvullend voor wat de inmiddels vrijgelaten apen zelf in de jungle vinden. Als we om 9.30 uur bij het platform aankomen zijn er al aardig wat toeristen en ook een paar apen. Een paar daarvan zitten op de steigers voor toeristen en we herkennen de dieren van de video: twee die aan elkaar klitten en de derde die er graag bij wil horen. Grappig om te zien maar ook treurig, een ander nadeel van het vroeg bij elkaar zetten van deze weesdieren.

Om 10.00 uur wordt er voedsel gebracht op het platform. Inmiddels zijn er een stuk of 6 apen verschenen die allemaal smullen van de melk en bananen. Men eet het direct op of neemt hele trossen tegelijk mee naar een rustig plekje om op te peuzelen. Een mooi gezicht allemaal.

Junglewandeling

We besluiten ook nog een korte wandeling te maken door de jungle bij het centrum. Het pad leidt naar een vogel-kijk-toren, die echter nogal tegenvalt. De wandeling zelf is wel zeer de moeite waard. We zien ondermeer een hagedis met rugkam, die verstijfd blijft zitten zodat we een mooie foto kunnen schieten. Ook horen we plotseling luid geritsel van iets groots dat vlakbij moet zijn. We denken een Oerang Oetang, maar we hebben hem niet gezien. Bij terugkomst vindt Patrick 2 bloedzuigers op zijn benen die we er in het restaurant met een sigaret afbranden. Fijn, zo'n jungletocht.

's Middags gaan we nogmaals naar het voederen kijken. Dit maal zijn we er vroeg en is er nog niemand. Als we rustig zitten komt de eerste Oerang Oetang al aanslingeren, een prachtig gezicht. Er komen er steeds meer bij, en dit keer anderen dan vanmorgen. Er zijn twee moeders met jong, wat extra leuk is natuurlijk. Als het voederen bijna begint komen er steeds meer toeristen, maar een bui vlak erna jaagt ze ook snel weer weg. Mooi zo, kunnen wij nog even rustig genieten van de etende en spelende apen.

Uncle Tan's junglekamp

Het resort heeft voor ons geregeld dat een busje van Uncle Tan ons de volgende morgen komt ophalen. Na een tussenstop bij het kantoor worden we verder vervoerd naar de rivier de Kinabatangan, vanwaar we de boot zullen nemen naar het junglekamp. Het duurt echter nogal lang voordat de tweede lichting per busje wordt afgezet waardoor we wat laat op weg gaan. Toch is het begin van de boottrip fantastisch. De palmolieplantages maken al snel plaats voor de jungle, en we zien verschillende dieren in de bomen langs het water. De neusapen, die alleen op Borneo voorkomen, zitten hoog in de bomen, de makaken durven wat lager te komen. Ook zien we onze eerste neushoornvogels met mooi gekleurde snavels. Maar als het begint te schemeren vallen ook de eerste druppels. Het laatste half uur zien we dus niets meer en zitten we in het donker te bibberen van de regen.

Het kamp van Uncle Tan Als we eindelijk aankomen is het weer droog geworden. De provisorische steiger en de steile rivierwand zijn echter aardig glibberig geworden en het valt niet mee om met de volle bepakking omhoog te klimmen. En vervolgens moeten we door de stikdonkere jungle over een modderpad naar het kamp. Daar aangekomen zijn de open hutten nou niet bepaald het toppunt van comfort en valt het niet mee om alles moddervrij te houden. Gelukkig staat Uncle Tan met een flinke maaltijd klaar zodat we aan tafel even rustig kunnen bijkomen.

Levende legende

Uncle Tan is een man van rond de 60 die dit kamp zo'n 20 jaar geleden heeft opgezet. Hij was de eerste touroperator in de jungle en is inmiddels een soort van legende. De jungle heeft over de jaren steeds meer moeten wijken voor houtkap en palmolieplantages, waar Uncle Tan zich sterk tegen verzet. Hij heeft diverse vetes uitgevochten met de locale illegale houtkapmaffia, waarbij hij dikwijls bedreigd is. Eenmaal is zijn huis in brand gestoken, waarbij zijn schoonmoeder en een hulp zijn overleden en zijn vrouw gewond is geraakt. Over dit alles vertelt hij honderduit en wij hangen aan zijn lippen.

Het junglekamp is al die jaren eenvoudig gebleven. Uncle Tan wil de jungle toegankelijk houden voor de budgetreizigers en vindt dat je niet hierheen moet komen als je de ongemakken van de jungle niet aankan. Diverse resortorganisaties hebben geprobeerd hem weg te krijgen, maar zijn kamp draait veel beter dan het nabijgelegen, leegstaande resort.

Vanwege de regen gaat de avondsafari die dag niet door. In plaats daarvan praten we met de 10 anderen die met ons gearriveerd zijn en de 5 die er al zaten. We horen van hen dat Uncle Tan pas gisteren in het kamp kwam en dat dat een heel verschil maakte. Zijn personeel zijn allemaal jonge knapen die best van goede wil zijn, maar ook nogal lui met name wat schoonmaken betreft. Uncle Tan is teruggekeerd nadat hij een halfjaar is weggeweest vanwege een hartaanval. En hij heeft de jongens direct aan het werk gezet.

Woelige nacht

Het valt niet mee om die nacht te slapen. Ondanks de klamboe hebben we toch overal jeuk en de junglegeluiden helpen ook niet. En dan moeten we er ook nog eens vroeg uit voor de ochtendsafari. Met een kop thee in de hand volgen we het modderpad weer naar de boten, waar we met een duf hoofd in plaats nemen. Maar onze aandacht is al snel weer gewekt. We zien weer vele apen, vogels, een paar wilde zwijnen en otters. Voldaan keren we dus weer terug voor ontbijt in het kamp.

Na het ontbijt neemt één van de jongens ons ook nog mee op een wandeling. We zijn echter met veel te veel mensen, waarvan er ook nog een paar blijven ouwehoeren, dus we zien hierbij geen wild. Als we weer terug komen zien we hoe de jongens bezig zijn met het bouwen van een nieuwe hut. Rond een uur of elf wordt het echter te heet om te werken en na de lunch gaat iedereen plat. Al snel begint het dan enorm te regenen, en ligt het kamp er wat treurig bij.

Lizards

Als het even droog is gaat Patrick naar buiten voor een wandeling. Bij de tafels hoort en ziet hij een paar grote monitor hagedissen van de tafel springen en zich uit de voeten maken. Omdat het weer begint te regenen blijft hij hier maar even zitten, en na een tijdje komen de dieren er weer aan gekropen. Ze zijn wat kleiner dan de Komodo draken, maar er zijn toch nog exemplaren van een meter of twee bij en de gelijkenis is treffend. Ze komen erg dichtbij, totdat je beweegt, dan zijn ze zo weer verdwenen. Sabine komt er even later ook bijzitten en we genieten van het schouwspel tot het stopt met regenen.

Na wederom een goede maaltijd (prima kok, die ome Tan) nemen de jongens ons mee op nachtsafari. Met een grote schijnwerper voor op de boot varen we van de ene naar de andere vogel. We zien reigers, uilen en een mooie ijsvogel van heel dichtbij. En dan gaan we op zoek naar krokodillen. Iedere keer dat we er eentje zien (allemaal kleintjes) glippen ze snel in het water. Maar op het eind blijft er eentje zitten, verblind door het licht. We kunnen allemaal een fotootje maken voordat hij er toch vandoorgaat, waarbij hij met zijn kop tegen onze boot aanzwemt. Als we weer voet aan wal zetten zijn we weer helemaal blij.

De tweede dag begint net zo als de eerste. Na de ochtendsafari wordt het echter lekker rustig in het kamp. Er zijn er de avond ervoor maar twee bijgekomen en de rest gaat vanmorgen terug. Na de lunch is er weer het hagedissen ritueel en later komen ook de twee wilde varkens die telkens rond het kamp scharrelen een kijkje nemen. We gaan ook nog even met zijn tweetjes varen op het ossestaart meer vlakbij het kamp. Hierbij zien we oriental darters (soort aalscholvers) en natuurlijk reigers en mooie ijsvogels. En tegen de avond komen de apen in de bomen rond het kamp de vruchten eten. Een mooi gezicht waar we rustig van kunnen genieten.

De tweede nachtsafari is veel korter dan de eerste. De accu van de schijnwerper is niet meer zo best zodat de jongens het al snel voor gezien houden. Wel zien we nog een mooie neusaap, met indrukwekkende neus en dito buik. De jongens noemen hem dan ook Uncle Tan. We blijven 's avonds nog even in het donker zitten in de hoop de civetkatten te zien die hier regelmatig rondsnuffelen, maar helaas. Terug in de hut heeft een rat of een eekhoorn de suikerzakjes die wij in China ooit gekocht hadden en totaal vergeten waren gevonden. Het dier had netjes Sabine's rugzak open geritst en van de suiker, portemonnee en maandverband zitten peuzelen. Ook dat hoort bij een junglekamp. We zijn heel tevreden met wat we in de jungle gezien en meegemaakt hebben en gaan dan ook de volgende dag tevreden weer terug naar de bewoonde wereld. Een ervaring, en een hoop muggebulten, rijker.

Busdrama Sandakan

Vanaf het kantoor van Uncle Tan pakken we een bus naar Sandakan. Hier willen we even pinnen, kleren wassen en rustig aandoen voor we de volgende dag naar Kota Kinabalu gaan. Sandakan is verder ook niet zo interessant, een typisch aziatische stad aan zee. Het busstation ligt kilometers buiten de stad, zodat we niet kunnen checken hoe laat de bussen gaan, en dat zullen we weten ook.....

Omdat de was nog wat moet drogen en we denken dat de bussen naar Kota Kinabalu (KK) regelmatig gaan doen we het rustig aan. Om kwart over 10 komen we per taxi bij het busstation aan, om te horen dat we net te laat zijn en de volgende pas om 12 uur gaat. Nou ja, niks aan te doen, we kopen een kaartje en wachten maar. De bus is er nog niet maar men verzekert ons dat hij zo wel komt.

Tegen 12 uur nog maar eens vragen maar nee, hij komt echt. Inmiddels vertrekt een bus van een andere maatschappij, en wij maar wachten. Langzaam maar zeker wordt duidelijk dat de bus pas om een uur of twee zal vertrekken. Uiteindelijk eisen we ons geld terug en kopen we een kaartje bij de maatschappij die ook om twee uur vertrekt, maar waarvan de bus er tenminste al staat. We zijn flink nijdig, we hebben bijna 4 uur moeten wachten en komen nu in het donker pas in KK aan, iets waar we een hekel aan hebben. Tot overmaat van ramp krijgt de bus even buiten KK nog pech ook, nog een uurtje aan onze reistijd toevoegend.

Eenmaal in KK valt het vinden van een hotel niet mee. De suggesties uit onze reisgids blijken gesloten. Uiteindelijk belanden we in een veel te duur klein hok waar we ook nog eens de karaoke van de buren door de dunne muren heen horen. Vanwege de honger en vermoeidheid eten we bij Kentucky Fried Chicken, de ellende is compleet.

Kota Kinabalu

Het oudste bouwsel van Kota Kinabalu: de klokkentoren De volgende morgen zoeken we snel één van de weinige backpackershostels op en dan is de ellende snel vergeten. We mogen er direct gratis ontbijten en er zitten gezellige mensen om mee te babbelen. Wat een verschil met de kille atmosfeer van een hotel.

Deels gedwongen door wat darmklachten van Sabine doen we het rustig aan in KK. We kijken wat WK-voetbal, Patrick bezoekt het museum waar hij de locale klederdracht ziet en we winkelen wat. De grootste toeristenattractie van Sabah, de beklimming van Mount Kinabalu, laten we aan ons voorbij gaan. We zien diverse mensen die het wel deden zeer krampachtig lopen en als we vragen of het dat waard was is het antwoord steevast nee. Op onze laatste dag in KK bezoeken we nog wel de andere bezienswaardigheden: de klokkentoren van Atkinson (het enige bouwsel dat de tweede wereldoorlog heeft overleefd, maar veel is het niet) en een uitkijkpunt over de stad, haven en eilanden voor de kust, waarbij het uitzicht wordt bedorven door een paar lelijke hoge gebouwen. Kortom, KK heeft het niet echt.

De rest van Sabah laten we links liggen. De eilandjes voor de kust zien er niet echt aantrekkelijk uit (deels door het mindere weer en misschien hebben we al teveel mooiere eilanden gezien) en dat geldt ook voor de tweede rangs attracties ten westen van KK. Verder hebben we de indruk dat de traditionele bevolking van de verschillende stammen tegenwoordig niet meer te vinden is. Daarvoor heeft de jungle teveel moeten wijken voor de vooruitgang, of wat de plaatselijke autoriteiten daaronder verstaan (palmolieplantages!!).

Ga terug naar: Transmigrasie naar Centraal Sulawesi

Ga door naar: Boring Brunei

Ga naar het overzicht van Maleisië en Singapore

Wereldreis zonder vleugels